Een pad, bezaaid met kikkers

Aan het zaaltje waar ik die avond alleen naar toe was geweest om er een lezing te volgen over beroemde schaduwen was maar weinig parkeergelegenheid. Parkeren deed je 200 meter verderop, aan het sportcentrum, want daar trok wel elke avond veel volk naartoe. Tussen zaal en parking liep een voetweg, waarop ik opeens een kikker zag springen, en daarna nog een, en nog een, en toen ik rond keek, telde ik liefst tien van die diertjes, tot ik zag dat het er nog veel meer waren: ze kwamen uit het slootje gekropen dat langs de weg liep, zo’n slootje waarin dronken of eenzame mensen ’s nachts wel eens durven te verdrinken, en ze staken het pad over richting het weiland aan de andere kant. Als ik mijn benen wijd genoeg spreidde, kon het hele pad tussen mijn voeten, maar voor de kikkers was het best wel een afstand. Toch sprongen ze zelfverzekerd verder: misschien was in die wei voor hen ook een lezing gepland, had er een kikker zich in het ene of andere thema gespecialiseerd dat zijn soortgenoten uitermate boeiend vonden.
Hoe goed het weggetje ook verlicht was en hoe goed je de kikkers ook kon zien springen, geen van de andere mensen die ook op weg waren naar hun wagen hadden aandacht voor deze kikkers. Voor me liepen twee vrouwen arm in arm. Ze waren aan het napraten over de lezing, maar terwijl sprongen de kikkers langs hun voeten. Ze zouden straks thuis niet vertellen over het pad bezaaid met kikkers, ze merkten er niets van. Ik was bang dat een van de vrouwen met haar hoge hakjes zo’n kikker zou plat trappen, zoals mensen wel vaker de wereld vernietigen zonder dat ze het zelf doorhebben. Zelf wandelde ik uitermate voorzichtig, ik probeerde als een autobestuurder oogcontact te maken met de kikkers, zodat ongelukken vermeden zouden kunnen worden. Maar de kikkers keken vastberaden voor zich uit, zij bekommerden zich niet om mij.
"Ik was bang dat een van hen zo'n kikker zou plat trappen, zoals mensen wel vaker de wereld vernietigen zonder dat ze het zelf doorhebben."
Ik zou hier niet over geschreven hebben, als ik niet 25 jaar geleden iets soortgelijks had meegemaakt. Toen maakte ik met een vrouw op wie ik verliefd was een avondwandeling, omdat ik dacht dat zoiets zou gezien kunnen worden als een romantisch gebaar, ik hoopte dat het me zou ontslaan van de verplichting om mijn liefde voor haar uit te spreken. Terwijl zij vertelde over haar dag, kwamen we op een bospad en ik had alleen oog voor haar silhouet. Elke stap in het donker leek ons wat dichter bij elkaar te brengen, en ik dacht even dat ik in mijn opzet was geslaagd toen ze plots haar armen om me heen sloeg. Maar haar gil verraadde dat ze mij niet tegen haar aan trok omdat zij dicht bij mij wilde zijn, maar omdat ze van iets schrok. Ze had iets voelen springen tegen haar voet. Ik ging op één knie zitten – dit symbolische gebaar, nu al, zou een mooie anekdote worden voor later dacht ik – om te kijken wat ze had gevoeld en ontdekte met de hulp van dat beetje maanlicht dat het om een kikker ging. Net als vele jaren later sprongen er overal om ons heen kikkers. Zij wilde zo snel mogelijk weer weg hier. We stapten heel voorzichtig, maar in het donker was het moeilijk om de diertjes te ontwijken. Ik had ervan gedroomd dat ze me zou omhelzen, maar niet op deze manier, niet uit verdriet omdat ze ervan overtuigd was dat we de ene kikker na de andere plat trapten. Eens we het bos uit waren, liet ze me los, en nooit nog kwam ze daarna zo dichtbij.
Ook al lagen er tussen twee momenten vele jaren, ook al vonden ze plaats op een heel andere plek, toch kon ik mij niet van de gedachte ontdoen dat het destijds dezelfde kikkers moeten zijn geweest die ons voor de voeten sprongen, dat ze zo jarenlang de wereld rond springen, soms een tijdlang in een poeltje of slootje blijven kwaken, om dan weer verder te gaan. Ik wou deze vrouw bellen, zeggen dat het met die kikkers goed gekomen was, dat we voor niets niet van elkaar hadden leren houden.
Langs de rand van dat weiland ben ik enkele minuten stil blijven staan, ik weet niet of iemand mij heeft opgemerkt.